Het leven van Sint Augustinus - Achtergrond
Het levensverhaal van Sint Augustinus, de zoon van een Romeins generaal in Noord-Afrika, begon in 354 na Christus. Op 19-jarige leeftijd las hij een verhandeling van Cicero over de betekenis van "de waarheid". Augustinus legde zich toen volledig toe op het onderzoek van dit intrigerende, maar onwezenlijke begrip.
Op zijn filosofische levensreis ervoer Augustinus veel pijn en lijden. Hij ging door fasen waarin hij met zware depressies en verlammend verdriet te maken had. Hij was getuige van zaken die simpelweg niet met de theologische leer verenigd konden worden. Juist vanwege deze schijnbare onverenigbaarheid van de waarheid en het bestaan van het kwaad sprong Augustinus meer dan tien jaar lang van de ene naar de andere filosofie.
Op 31-jarige leeftijd had Augustinus een bovennatuurlijke ervaring "alsof mijn hart werd overspoeld door een licht dat mij bevrijdde van alle beklemmingen". Op dat moment werden "alle schaduwen der twijfel verdreven" en aanvaardde hij God in zijn leven.
Het leven van Sint Augustinus - Zijn geestelijke worstelingen
Hoewel Augustinus later een belangrijk figuur in de kerkgeschiedenis zou worden, had hij nog steeds grote moeite met de zichtbare pijn, het lijden en het kwaad die door God werden toegestaan. In zijn eerste boek,De orde" (386 na Christus), schreef Augustinus:
Het leven van Sint Augustinus – In zijn eigen woorden
Nadat hij een kind had horen zeggen "pak het op en lees", opende Sint Augustinus de Bijbel en las hij Romeinen 13:13-14. Als gevolg hiervan schreef hij het volgende: "Meteen nadat ik de laatste woorden van de zin had gelezen, leek het alsof mijn hart werd overspoeld door een licht dat mij bevrijdde van alle beklemmingen. Alle schaduwen der twijfel werden verdreven” (Belijdenissen 8.12).
Over de natuur en God:
“De hele natuur is daarom goed, omdat de Schepper van de hele natuur oppermachtig goed is. Maar de natuur is niet oppermachtig en onveranderlijk goed zoals de Schepper ervan” (Handboek 4.12).
“In zijn verdorven toestand bootst de hele mensheid U [God] na. Maar toch houden zij U op een afstand en verheffen zij zichzelf. Maar zelfs in deze imitatie erkennen zij dat U de schepper van de gehele natuur bent en geven zij dus toe dat er geen plaats is waar zij volledig aan U kunnen ontsnappen” (Belijdenissen 2.6).
Over zijn levensreis:
“Onze harten zijn rusteloos tot zij hun rust in U [God] vinden” (Belijdenissen 1.1).
Copyright © 2002-2021 AllAboutPhilosophy.org, Alle rechten voorbehouden